Combinatietest

De combinatietest bestaat uit een bloedonderzoek tussen de 9 en 13+6 weken en een nekplooimeting tussen 11-14 weken. De combinatie van de uitslag van het bloedonderzoek en de nekplooimeting bepaalt een voor de zwangere specifieke kans op een kind met downsyndroom, edwardssyndroom of patausyndroom. De combinatietest geeft behalve een kans op downsyndroom (trisomie 21) bij het kind, ook informatie over de kans op patausyndroom (trisomie 13) en edwardssyndroom (trisomie 18).

 

Bloedonderzoek bij combinatietest
Onderdeel van de combinatietest is een bloedonderzoek. Het bloedonderzoek moet worden uitgevoerd tussen de 9 en 14 weken. Bij het bloedonderzoek wordt de waarde in het (bloed)serum van het PAPP-A (‘pregnancy associated plasma protein A’) en fß-hCG (‘vrije beta subunit van humaan choriongonadotropine’) bepaald. Het bepalen van de concentraties van PAPP-A en fß-hCG vindt plaats in het Laboratorium voor Bindingsanalyse van het UMCG. 

MoM waarde

Vervolgens wordt er een biochemische waarde, de MoM waarde, berekend. Daarbij zijn de volgende gegevens van de zwangere van belang:  

  • Het gewicht van de zwangere.
  • Of de zwangere rookt.
  • De zwangerschapsduur op het moment van de bloedafname. 
De berekening van de MoM waarde vindt plaats door het Referentielaboratorium van het RIVM.
 

Nekplooimeting bij combinatietest
Het andere onderdeel van de combinatietest is de nekplooimeting (NT-meting). Bij de nekplooimeting wordt de dikte van de zogenaamde nekplooi van het ongeboren kind gemeten. Dit gebeurt met een echo-onderzoek. De nekplooi is een dun vochtlaagje onder de huid in de nek. Dit laagje vocht is bij elk kind aanwezig, ook bij gezonde kinderen. Hoe dikker de nekplooi is hoe groter de kans op een kind met downsyndroom. De NT-meting moet worden uitgevoerd tussen 11 en 14 weken zwangerschap.

Alleen zorgverleners die een certificaat voor de NT-meting hebben behaald en daarbij een kwaliteitsovereenkomst hebben met het regionaal centrum, mogen de NT-meting uitvoeren. Voor het uitvoeren van de NT-meting gelden verschillende landelijke kwaliteitseisen

 

Kansberekening bij combinatietest
Bij de combinatietest vindt een kansberekening plaats. Door de uitslag van het bloedonderzoek te combineren met de nekplooimeting, wordt voor de zwangere een specifieke kans berekend, die haar kind heeft op down, edwards- en patausyndroom. Als de kans hoger is dan 1:200 (dat wil zeggen bijvoorbeeld 1:150) dan spreken we van een verhoogde kansuitslag. In dat geval kan de zwangere kiezen voor een vervolgonderzoek. Is de kans lager dan 1:200, dan is er sprake van een niet verhoogde kans. Een echoscopist voert de kansberekening uit na afloop van de NT meting.

 

Aanvraagprocedure voor de combinatietest
Als verloskundige of counselor vraagt u de combinatietest aan via het digitale aanvraagformulier. U vult het aanvraagformulier zeer nauwkeurig in. Op basis van de ingevulde gegevens worden namelijk de biochemische waarden genormaliseerd. Het niet nauwkeurig invullen van het formulier kan leiden tot een onjuiste  kansberekening.
Voor het digitale aanvraagformulier kunt u gebruik van maken van de inloggegevens die u gebruikt voor de Bibo. Mocht u niet in het bezit zijn van inloggegevens dan kunt u contact opnemen met Laboratorium voor Bindsanalyse in Groningen: telefoon: 050-3613022. Meer informatie? Download de  handleiding voor het invullen van het digitale aanvraagformulier.  

Aan de zwangere geeft u de volgende formulieren mee:
-  Een print van het aanvraagformulier  voor het priklab.
-  Een verwijsbrief voor het echocentrum.

    Meer informatie over de combinatietest, zoals opleidingseisen en kwaliteitseisen kunt u lezen op de website van het RIVM